In Saint Valery en Caux kwamen
we 5 minuten te laat aan voor de sluis van het dok. Volgens de havenmeester
was dat geen probleem met onze 1,45 m. diepgang. Als we tussen de twee boeien
naast de reddingsboot gingen liggen kon dat prima. De havenmeester kwam ons
met zijn bootje ophalen om ons naar de kant te brengen. Het was die dag namelijk
groot feest: de Tour de France zou de volgende dag starten. De feestelijkheden
waren al aardig op gang gekomen in het dorp.
Eind van de middag liepen we terug naar de boot. Er kwamen geen masten boven
de haven uit, en toen we dichterbij kwamen zagen we dat ze op haar kant lag.
Erg schokkend. Met het bootje van de havenmeester wrikten we naar de boot
om te kijken of we de spullen die los lagen konden borgen. De bijboot was
al bijna van het dek af gegleden en de bodem daarvan konden we een stukje
verderop uit het water opvissen. Het leek ons geen slim plan om aan boord
te gaan omdat ze zo schuin lag. Het zou nog ongeveer 5 uur duren voordat het
weer hoog water zou zijn.
Ver van de haven hebben we gegeten in een restaurantje en daar zo lang mogelijk
blijven zitten want het was ondertussen al avond en het begon ook al fris
te worden. We liepen nog in ons korte broek en hempje want het was overdag
best warm.
Teruggekomen bij de Schorpioen lag ze gelukkig weer fier rechtop in de haven,
alsof er niets gebeurd was. Alleen wat modder op de huid aan stuurboord herinnerde
ons aan dit drama. Tijdens het eten waren alle rampscenario's de revue gepasseerd,
de accu's waren leeggelopen, alles uit de kastjes gevallen en ze zou misschien
ook in de modder blijven plakken waardoor ze niet overeind zou komen en vol
zou lopen. Maar gelukkig dus niets van dit alles. Om 11 uur 's avonds ging
de sluisdeur weer open en spoelden we naar binnen.